(via thehipsterkids)
(via thehipsterkids)
(Source: stefanabrahams, via thecrystalshipisbeingfilled)
Designer Feature: Veronika Paluchova
A young Slovak designer just out of school (or getting ready to be) for Product Design. She really has some fun & unique takes on household products drawing inspiration from nature. I love the lamp using a birdhouse and of course the house using the trusses as a dish rack! Awesome stuff and a promising future.
(via voxt)
New at Liefhertje en De Grote Witte Reus: “Tranen van verdriet, tranen van geluk” (tears of sadness, tears of joy). This beautiful necklace by Juliette Schraauwers with a silver or wax thread looks like a big glass tear and has actual water in it.
saw this amazing CMYK lamp on the Dutch Design Week 2011 by Dennis Parren, still don’t know how it works but the effect is crazy!
via jjjjound
via jjjjound
Transcience shows the beauty of the natural oxidizing process of mirrors.
By accelerating and manipulating this process, the Transcience mirrors show various stages of oxidation in three different geometrical patterns.
Normally, the oxidation process in a mirror occurs randomly and evolves slowly over time. This process can be regarded as degradation, however this project shows the beauty of this material transition of silver. These mirrors reveal the different states of this process. In this case, sulphur is used to create an accelerated oxidation process. Depending on the time that the silver is reacting with sulphur, different colour tones can be achieved, ranging from gold to brown, to purple to blue.
Transcience is a project developed together with Lex Pott for the Dutch Design Week 2011 in Eindhoven.
Ich Clack Dich
(foto: Dido Fontana, Fuchsion 2011)
Straatfotografie, trend of kunst?
Als jonge, actief in het leven staande, kunstgeïnteresseerde student verdoe ik graag mijn tijd met het eindeloos kijken naar plaatjes. Mijn bladwijzerbalk staat vol met blogs en websites op het gebied van kunst, design en mode, ik hou mijn eigen tumblr-pagina bij en ik blader tientallen tijdschriften door. Fotografie is voor mij altijd een interessante discipline geweest omdat het “zo lekker echt” is, maar het je tegelijkertijd totaal kan misleiden. Het is een discipline dat zowel autonoom als in toegepaste vorm heel sterk en uitgesproken een stijl kan aangeven. Alleen heb ik het afgelopen jaar wel heel vaak dezelfde stijl mogen aantreffen. Een stijl die vooral in de jonge hippe scene erg veel wordt gebruikt op het gebied van mode, lifestyle en autonome fotografie. Deze jonge fotografie laat een zeer rauwe en rebelse sfeer zien die bijna documentair is. De beelden laten voornamelijk jongeren uit verschillende subculturen zien in provocerende settings. Seks, drugs, uitgaan en skateboards zijn populaire onderwerpen die zonder moeite op een directe manier in beeld worden gebracht. Deze grove ‘edgy’ straatfotografie heeft niet alleen een weg gevonden naar de galeries, maar is misschien nog wel het meest aanwezig in de toegepaste kunst en dan vooral de modefotografie. Populaire magazines als de Blend, Vice, en Purple laten high-fashion kleding zien in
underground uitgaansscènes met foto’s waarin alleen gebruik is gemaakt van een koude flits en de achtergrond vaak niet meer is dan een kale muur of een vieze dansvloer. De muziek van rapper Pepijn Lanen van de Jeugd van Tegenwoordig, en de minstens even populaire beeldend kunstenaar Parra , luidt “Minolta Camera, Polaroid und Leica, Hasselblad und Small film. Ich bin gleich da. Lifestyle, Popmusik, Fashion und Politik. Ich clack dich”.
De belangrijkste fotografen van dit moment zijn dan ook Dash Snow (1981-2009) die bekend stond om zijn documentaire foto’s van zijn ‘bohemian lifestyle’ en vorig jaar op zijn 27ste overleed aan een drugsoverdosis, Terry Richardson (1965) die van iedere beroemdheid nu wel een snapshot heeft gemaakt op een witte achtergrond, de Nederlandse Elza Jo (1981) die haar foto’s modereportages voor het populaire blad Blend bewerkt alsof het kindertekeningen zijn of Dido Fontana (1971) wiens modefoto’s in opdracht niet te onderscheiden zijn van zijn eigen rauwe grunge foto’s. Verschillende kunst en fotografiebladen hebben al menig aandacht aan dit ‘nieuwe’ fenomeen binnen de fotografie besteed. Zo ook de Metropolis M., waarvoor de filosoof, criticus en curator
Christophe van Eecke uit Brugge het stuk “Zij cool, wij cool” schreef. Een stuk waarin hij zijn mening geeft over de hedendaagse straatfotografie en het succes ervan.
Larry Clark en de Boston school
Deze jonge rebelse fotografen worden ook wel ‘de kinderen van Larry Clark’ genoemd. Larry Clark is een fotograaf die in de jaren zeventig zijn ‘eigen narratieve fotografie ontwikkelde, die nauw verweven was met zijn onmiddellijke omgeving en de jongeren met wij hij rondhing en drugs gebruikte.’ Zijn eerste werken die te zien zijn in Tulsa (1971) zijn een documentatie van zijn leven, zijn vrienden en hun geweld, drugsgebruik en seksgewoonten. Zijn behoefte om een verhaal te vertellen met zijn foto’s bepaalde uiteindelijk zijn carrière, hoewel hij nooit een opleiding tot fotograaf heeft gevolgd. Zijn intieme en sterk emotionele benaderingen in zijn foto’s waren ongekend in die tijd en zijn grafische en narratieve stijl bracht een nieuwe generatie fotografen met zich mee die al snel populair werd in de mode-industrie. In deze nieuwe generatie staat ook een vriendengroep opdie zich in de jaren tachtig bij Clark aansluit. Deze groep wordt de Boston School genoemd en wordt geleid doorde fotografe Nan Goldin (1953). Ook zij fotografeert op een zeer narratieve wijze haar eigen leefomgeving en laat haar foto’s functioneren als een soort spiegel voor haarzelf. Het voornaamste onderwerp dat wij terug kunnen zien in het werk van Goldin is het effect van AIDS en drugsgebruik. Ook zij brengt weer de marginale milieus, waar zij zelf eveneens een onderdeel van is, op een zeer gevoelige wijze in beeld.
Wat Clark, Golding en de andere fotografen uit de Boston School gemeen hebben is dat de weergave van de emotie belangrijker is dan de formele compositie. Hun beelden kunnen dan ook de indruk wekken van een simpele ‘snapshot’, maar dit is juist hetgeen wat de beelden deze kracht en emotionele lading geeft. Door de directe manier van fotograferen lijkt het voor de toeschouwer alsof hij recht in het dagboek en leven van de
kunstenaar kijkt en de persoon leert kennen, bijna een band opbouwt met de maker. Of zoals het fotografie magazine GUP omschrijft: “It documents a youth culture progressively overwhelmed by self-destruction and the picture are as moving and disturbing today as when they first appeared.” Het is ook de generatie fotografen van de Boston School die er voor gezorgd heeft dat de straatfotografie doorbrak in de mainstream kunstsector en er voor gezorgd heeft dat deze stijl gepopulariseerd werd waardoor er meerdere voorbeelden kwamen.
Veel van deze nieuwe fotografen lieten duidelijk zien dat ze makkelijk met verschillende media kunnenwerken. Ze komen niet vanuit een fotografische achtergrond en zijn veelal autodidact. Zo werkte Ari Marcopoulos (1957) nog voor Andy Warhol maar maakte hij ook foto’s en video’s voor de Beastie Boys en legde hij de skatecultuur vast. Ook Ed Templeton (1972) was in eerste plaats een professioneel skater, skateboard ontwerper en beeldend kunstenaar maar legde als professioneel skater zijn leven vast door middel van fotografie. Volgens Van Eecke is de opkomst van straatfotografie binnen de beeldende kunst wel het meest te danken aan underground fotograaf Wolfgang Tillmans (1968): “Als de nieuwe straatfotografie dankzij de Boston School afgelopen jaren
artistiek volkomen acceptabel werd, dan mag Tillmans gelden als de figuur die het mogelijk maakte om dit soort werk te tonen in het hart van de kunstwereld.” Dit wordt beaamd door editor Uta Grosenick die Tillmans opneemt in de bundel Art Now Vol. 2. Tillmans begon als fotograaf voor mode en muziekbladen waar hij zijn seksueel
getinte foto’s steeds meer combineren met de modefotografie uit de jaren 90. Later in de jaren 90 ging hij steeds meer onderdeel uitmaken van de kunstsector en in 2000 was hij de eerste fotograaf die de Turner Prize won. Al deze kunstenaars werden steeds meer opgenomen in mode en lifestyle magazines uit de jongere subculturen waardoor deze straatkunst en skate cultuur steeds meer samensmolt met design, mode, kunst, film en lifestyle. Het bijzondere van deze generatie is dat hun verbondenheid meer door hun milieus veroorzaakt werd dan door de artistieke stijl van de stroming.
De populariteit van deze straatfotografie is niet alleen te danken aan deze tijdschriften en fotografen maar ook aan de jaren 80 waarin meerdere dingen gebeurde op het gebied van beeldende kunst. Zo werd de beeldende kunst plots een echte investeringsmarkt waarbij het belangrijk was om nieuw talent te blijven spotten en
vanuit een krampachtige angst de boot te missen. Daarnaast was er de opkomst van de ‘issue-based art’ met een zwaar politieke lading die zich meer bezighield met het in beeld brengen van minderheden dan de esthetiek van beeldende kunst. Dit tezamen zette de spotlight vanzelfsprekend op de straatkunst, niet alleen in de fotografie
maar ook de schilderkunst zoals Jean Michel Basquiat en Keith Haring, een stroming die bij een groot publiek,vanuit een stilistisch oogpunt, vraagtekens oproept.
Reactie
Van Eecke noemt in zijn artikel de fotograaf als de antropoloog van de jonge cultuur: “Wat hier speelt, is de romantiek van de fotograaf/kunstenaar die toegang heeft tot werelden waar wij niet kunnen komen maar die we dankzij zijn bevoorrechte positie toch kunnen meebeleven.” Hij claimt dat de hedendaagse straatfotografie de rol
inneemt van een documentatie van de ‘hippe’ cultuur waar men graag een deel van uitmaakt. De foto’s zijn dermate exhibitionistisch dat het een wereld laat zien van exclusiviteit. De foto’s zijn trendy en grensverleggend.
Van Eecke gaat verder door de dood te verklaren aan de kunst avant-garde en introduceert daarna de ‘seksuele avant-garde’. Wie onderdeel van deze subcultuur wil zijn, zoals deze in de ‘hippe’ fotografie wordtvertoond, hoeft niet persé een oog te hebben voor kwaliteit in kunst: “De pose van seksuele ruimdenkendheid, van de anaal ontspannen metroseksueel tot de genderbenders, creëert een nieuwe hipheid. Je bewijst je artistieke alertheid niet door oog te hebben voor kwaliteitsvolle kunst maar door je verfijnde visie op seks en levensstijl.” Van Eecke laat meerder malen doorschemeren dat de beeldende kunst, net zoals de avant-garde, dood is of dat wij er in ieder geval niet meer in geloven. Het is daarom ook niet echt de vraag of deze moderne straatfotografie wel echt als kunst beschouwd kan worden als deze niet bestaat. De fotografie zou een puur kunstpolitieke positie hebben waarbij “alleen al het registreren van een jeugdcultuur op die manier al een artistieke legitimiteit krijgt.” Hij sluit af met de’ avant-garde bij afwezigheid van kunst’ te verkondigen.
Er valt veel te zeggen voor van Eecke’s opinie over deze jonge kunststroming. Als iemand die veel in aanraking komt met, en misschien wel onderdeel van, deze subcultuur of ‘avant-garde’, kan ik zeker bevestigen dat er absoluut sprake is van een avant-garde waarbij leefstijl en seksualiteit een grote rol spelen. Ik ben echter niet
van mening dat de kwaliteit van het werk, fotografie of niet, binnen deze avant-garde geen rol meer speelt. Van Eecke stelt zichzelf de vraag, ‘waarom je nog bezighouden met de kwaliteit van kunst als kunst niet meer bestaat?’ Mijn vraag is alleen: ‘Wie zegt dat kunst niet meer bestaat?’
Dat er nu een meer seks/leefstijl avant-garde is dan een kunst avant-garde komt niet door de afwezigheid van kunst als wel door de verschuiving binnen de beeldende kunst. Het is te begrijpen dat het tegenwoordig moeilijk is je vinger te leggen op wat kunst is, maar ik denk dat het huidige kunstklimaat in volle bloei is. Er zijn geen duidelijke disciplines meer, het verschil tussen hoge kunst, lage kunst en toegepaste kunst is verdwenen en zelfs de subculturen binnen de kunst zijn samengesmolten. Wie een avond uit gaat in de Bitterzoet in Amsterdam en ziet dat de hiphoppers samen met de acteurs en illustrators op de muziek staan te dansen van de filmmaker, die ook dj is en af en toe een reclamecampagne verzint voor het Parool. Deze mensen vallen zeker onder de nieuwe exclusiviteit van de VARPS (Vaguely Art Related People) zoals Van Eecke ze graag noemt, maar de kwaliteit van hun werk wordt nog steeds serieus genomen.
Om terug te komen op de straatfotografie: Al vanaf het begin met Larry Clark en zijn serie Tulsa in 1971 is er een kunststroming opgekomen die niet vanuit de academische beeldende kunst komt maar vanuit een zij-ingang, de underground, instroomt. Deze autodidactische fotografen begonnen dus eigenlijk als ‘amateurs’ met de pure behoefte het narratief aspect van hun subcultuur vast te leggen. Ze gebruiken hun foto’s als spiegels voor hun generatie; zoals Nan Goldin zei: “The camera is a mirror, the pictures are a diary through which I change.” Van Eecke is van mening dat deze stroming zo populair is omdat het meer om de kunstpolitieke overwegingen gaat dan om het neerzetten van een esthetisch beeld. Dit wederom vanuit de gedachte dat de fotograaf niet de behoefte heeft zich binnen de kunstwereld te profileren omdat er simpelweg geen kunstwereld is. Maar zou het niet kunnen zijn dat de kunstwereld die Van Eecke kent niet meer bestaat, maar dat er een nieuwe kunstwereld is? Het werk van Gustave Courbet mocht ook niet in de salon hangen, de plek waar de ‘echte kunst’ zou hangen. Realisme werd in begin 19de eeuw belachelijk gemaakt. Courbet bracht de werkelijkheid in beeld, maakte het niet mooier dan het was en gebruikte grove technieken. In zijn tijd werd zijn werk niet serieus genomen, nu zien we Courbet als een
van de meest invloedrijke kunstschilders in de geschiedenis. In zijn tijd werd zijn werk onesthetisch genoemd, artistieke overwegingen leken er niet te zijn, ging het hem alleen om het afbeelden van de werkelijkheid? Niemand uit deze tijd zal nu nog zeggen dat het in Courbets werk ontbreekt aan esthetiek.
In de nieuwe generatie straatfotografen is het net zo. De oude garde kan dit werk alleen puur als eenregistratie zien van een jonge subcultuur en de artistieke inbreng van de kunstenaar niet herkennen als zodanig,maar dit maakt het werk nog niet meteen oncreatief. De kunstenaar heeft wel degelijk nagedacht over de setting, het perspectief en het onderwerp. De stijl is rauw en lijkt onbewerkt maar dit is juist de bedoeling van het werk. De kunstenaar laat op deze manier de toeschouwer heel dichtbij komen in een wereld waar hij zelf onbekend mee is. Van Eecke zal de stijl van de jonge generatie misschien niet herkennen als kunst en daarmee denken dat deze generatie niet meer in kunst en een artistieke avant-garde geloofd, maar niets is minder waar. Iedere nieuwe
stroming binnen de beeldende kunst vormt zijn eigen avant-garde en zal moeten vechten tegen de oude garde om zijn plek binnen deze wereld te veroveren. Misschien is deze registrerende straatfotografie wel het Realisme van mijn generatie.